Wie de online schrijfkalender van Wil-Low raadpleegt, ziet dat het blijkbaar een trend geworden is: kleine en beginnende uitgeverijen schrijven een schrijfwedstrijd uit en bundelen vervolgens de beste verhalen in een boek. Op zich heb ik daar niets op tegen. Het is voor de beginnende uitgever een goedkope manier om aan “content” te komen, terwijl het voor de amateur-schrijver een eer is om gepubliceerd te worden.

Die eer is eerder relatief. Er zijn dit jaar al drie verhaaltjes van mij in zo’n bundel gepubliceerd. In het businessmodel van de uitgever wordt er waarschijnlijk op gerekend dat een auteur van wie een verhaal gepubliceerd is, vervolgens ook het boek koopt waarin zijn verhaal opgenomen is. Ik heb dat niet gedaan met deel 4 van de bundel "55 woordverhalen" omdat ik het verhaal waarmee ik geselecteerd was zelf niet goed vond. Ik kocht wel deel 7 van het "Sweek Zeer Korte Verhalen Boek" en deel 4 van het "Sweek Flash Fiction Book". Het is aan die boekjes te zien dat er niet veel aandacht aan is besteed. De lay-out is bij sommige verhalen erbarmelijk; er is totaal geen zorg besteed aan een mooie bladspiegel. De teksten zijn in hun originele vorm, ongecorrigeerd, opgenomen in de bundels. Dat stoorde mij niet bij de Nederlandse versie, waarvan een aantal verhalen me aangenaam verrasten, maar bij de Engelstalige versie deden de taalfouten vaak pijn aan de ogen. Er was duidelijk niet geïnvesteerd in een copy editor of een proof reader. Ik vond dat niet erg. Ik had de lat van mijn verwachtingen heel laag gelegd; ik voelde me niet bedrogen.

Mijn verhaal voor de bundel “Magie en Tovenaars” van uitgeverij KeyTree werd niet geselecteerd. Ik vond dat vreemd, want ik kreeg best leuke kritieken op het verhaal. Toen ik de lijst van 50 te publiceren verhalen overliep, stond mijn verhaal er echter niet tussen. Dat had misschien meer te maken met de eerste zin van het verhaal ("Hij kwam fier als een stijve pik de herberg binnen") dan met het verhaal zelf. Andere deelnemende verhalen die ik online gelezen had, en die met haken en ogen aan elkaar hingen, waren er wel bij. Erg vond ik dat niet, want ik had ondertussen mijn doel, minstens één schrijfwedstrijd winnen in 2019, gehaald.

Nu ik op Facebook lees wat Reinder Veelinx schrijft over de uitgave, vind ik het nog minder erg: "Een beginnende uitgever verdient sympathie en ik was blij dat mijn verhaal in deze bundel opgenomen werd. Zonder opbouwende kritiek komt niemand vooruit en daarom waag ik het enkele opmerkingen te maken. Het boek is alleen op bestelling te verkrijgen en ligt niet in de boekwinkel. Er wordt nauwelijks aan promotie gedaan dus niemand komt op het idee om het te bestellen. De tekst op de achterflap is zouteloos. De titel op het voorblad is te klein en daardoor onleesbaar (volgens mij kan dit gemakkelijk aangepast worden met een groter lettertype en verspringen c.q. opdelen van de twee woorden.) Succes verder!"

Ik begrijp de (opbouwende) kritiek, maar ik begrijp ook de uitgever. Zo’n uitgever rekent er natuurlijk op dat de auteur zelf wat promotie voert; iets wat ik zelf ook zeker doe als ik tevreden ben van het resultaat. Zelfs al verdien ik er niets aan, het is gewoon leuk. Het is meestal ook heel vrijblijvend. Voor het 55 woordverhaal en de twee Sweek Flash Fiction verhaaltjes die gepubliceerd werden, hoefde ik niets te ondertekenen. De voorwaarden voor deelname bij het insturen van het verhaal waren duidelijk. Het auteursrecht voor het verhaal blijft (uiteraard) bij de auteur (zoals altijd het geval is in Europa; in de US kan je wel je copyright overdragen). Echter, door deel te nemen aan de wedstrijd geef je aan de uitgever het recht het verhaal te publiceren in een bundel, waarvan de titel meestal vooraf gekend is. Een bijkomend contract is niet nodig. Het reglement van de wedstrijd is bindend. Ik neem wel altijd een kopie van dat reglement, zie bij voorbeeld de voorwaarden voor deelname aan de schrijfwedstrijd met als thema "Magie en Tovenaars".

Sommige uitgevers bakken het echter wel heel bruin. Een tijdje geleden werd ook een vierde verhaal van me geselecteerd voor publicatie. In de voorwaarden stond (zoals gebruikelijk) dat de auteursrechten bij de auteur bleven, maar dat de uitgeverij het verhaal mocht publiceren in een bundel die naar eigen inzicht werd vormgegeven. Eigenlijk was dat voldoende, maar er stond ook dat de licentie voor uitgave middels een contract geformaliseerd zou worden. Ik dacht hierbij aan een soort release-formulier waarbij de auteur eenmalig de toestemming geeft aan de uitgever om het verhaal in een specifieke bundel op te nemen zonder dat daar een financiële tegenprestatie moet voor geleverd worden. Daar kan ik mee leven.

Deze week kreeg ik echter een contract voorgeschoteld dat langer was dan het verhaal zelf. Ter vergelijking: ik schreef ooit een volledig boek voor een Amerikaanse uitgeverij en dat contract was vier bladzijden lang. Het contract om de Nederlandse uitgeverij toestemming te geven om mijn kortverhaal te publiceren, telde maar liefst negen pagina's. De lay-out van het contract was om bij te huilen (een footer die niet als footer gedefinieerd was, lijsten die in Word niet als lijst gecreëerd waren en waarvan de tekst dus niet insprong als het lijst-item meerdere lijnen omvatte…). Er stonden redelijk wat taalfouten in ("De recht" i.p.v. "Het recht", "de fouten dat" i.p.v. "de fouten die"). Als je met een uitgever in zee gaat, dan verwacht je dat die toch enige zorg besteedt aan lay-out en taal.

Het ergst van al was echter het feit dat het contract bepaalde dat ik zowat alle rechten exclusief aan de uitgever afstond als ik het ondertekende. Ik mocht het verhaal zelf niet publiceren zonder toestemming van de uitgever. Ik moest ook afzien van het recht om met anderen te onderhandelen, mocht ik nog iets anders met het verhaal willen doen. Hoewel de uitgever van alle rechten zou kunnen genieten, werd er van mij verwacht dat ik alle risico’s die gepaard gingen met de publicatie op mij nam. Er werd gewag gemaakt van betalingen, maar er was ook een clausule dat er in geen geval royalty’s zouden uitbetaald worden. Kortom, het was een belachelijk onevenwichtig contract. Ik zou wel gek moeten zijn om het te ondertekenen alleen maar om mijn verhaal gepubliceerd te zien.

Maar goed, ik ben een welwillend en behulpzaam persoon, dus deed ik een voorstel om een eenvoudiger contract te laten opmaken door mijn eigen advocaat. In dat contract zou ik eenmalig de toestemming geven voor publicatie in een specifieke bundel. Je zou denken dat een uitgever dit zou toejuichen: een auteur die zijn eigen advocaat ter beschikking stelt om een nuttige template op te stellen, maar helaas: de uitgever stond daar niet voor open en zag dit af van publicatie van mijn verhaal.

In een reactie op FB zegt Frans van der Eem: "Maar het is toch fijn om een papieren boek met daarin jouw verhaal in de kast te hebben staan." Dat is waar, maar als je jouw verhaal op papier in de kast wil zien staan, dan bestaan er mogelijkheden genoeg om zelf een boek te publiceren. Voor de testversie van mijn eigen bundel "Oceaanwees" heb ik iets van een 17 euro betaald. Daar had ik geen uitgever voor nodig, en nog minder een onevenwichtig contract.

Je kunt je natuurlijk (terecht!) afvragen waar ik me druk om maak. Het gaat om een kortverhaal van amper vijf pagina’s en een bundel met een dozijn verhalen die in kleine oplage verspreid wordt. Waarom zou iemand zich zorgen over maken over het ondertekenen van zo'n contract? Dat is echter de verkeerde vraag. Keer de vraag eens om: waarom zou je een contract van negen pagina’s ondertekenen voor een verhaal van vijf pagina’s waar je toch niets aan verdient? Mijn raad, zowel aan de uitgever als aan de auteurs, is eenvoudig:

Hanteer het KISS-principe en Keep It Simple, Stupid!