Drie weken vlogen voorbij; dat betekent drie nieuwe verhaaltjes!

Ik ben de afgelopen weken vooral bezig geweest met het bundelen van de verhalen die ik tot nu toe schreef. Omdat ik in zo'n bundel graag ook zou vermelden welk resultaat ik met een bepaald verhaal behaalde (het is te zeggen: als ik ermee deelnam aan een wedstrijd), kan ik die voorlopig nog niet afwerken. Van een aantal wedstrijden is de deadline om een inzending in te dienen zelfs nog niet verstreken.
Ik heb alle data eens vergeleken en ik heb besloten een cut-off te maken in augustus. Alle verhalen waarmee ik deelnam aan wedstrijden waarvan de uitslag pas vanaf september bekend wordt gemaakt, vallen uit de boot. Ik ben ondertussen al een tweede bundeltje gestart waarin ik die verhalen, en ook de verhalen die ik vanaf nu zal schrijven, opneem.

Voorlopig heb ik nu dus een bundel dat ik de titel "Oceaanwees" gaf met 144 pagina's waarvan 134 tekst bevatten. Het zijn in totaal 32 verhalen, aangevuld met een voorwoord en een nawoord. Ergens in augustus kijk ik hoe ik die kan publiceren. In de tweede bundel (die ik nog geen naam gaf) heb ik ondertussen al 5 verhalen, goed voor 20 pagina's.

De drie verhaaltjes die ik de afgelopen drie weken voor de schrijvenonline.org opdrachten schreef, komt er maar eentje in aanmerking voor opname in een bundel.

  • Voor het eerste leende ik een personage, Rambo, dat vaak voorkomt in inzendingen van Mw.Marie, een andere vaste waarde bij de wekelijkse schrijfopdracht. Het is eerder een gimmick dan een verhaal dat "bundelwaardig" is.
  • Het tweede verhaal is een sprookje en het paste bij de drie andere sprookjes die ik voor Oceaanwees selecteerde. Er moet een beetje van alles in zo'n bundel zitten, niet?
  • Het derde verhaaltje is eigenlijk niet meer dan een aanleiding om, zoals de opdracht het gebiedt, twee woonruimtes te beschrijven. Als je de opdracht niet kent, dan komt het verhaal waarschijnlijk eerder vreemd over.

1 MEI

Opdracht: Onterechte doodstraf

Je gaat in de gevangenis langs bij iemand die ter dood veroordeeld is. Maar hij of zij is veroordeeld voor iets wat jij hebt gedaan. Hoe gaat dit bezoek verlopen? Vertel je wat er is gebeurd, weet die persoon dat jij het hebt gedaan? Voel je je schuldig of voelt het juist goed om ermee weg te komen? Vertel over het bezoek in 600 woorden.

Inzending: Rambo in de cell

Hoewel hij ter dood veroordeeld is, kwispelt Rambo met zijn staart wanneer hij me ziet.
‘Hey Tybaert, wat ben ik blij je te zien,’ zegt hij, ‘je bent de enige vriend die me nog rest. Zelfs mw.Marie is me nog niet komen bezoeken.’
‘Miauw, dat is jammer!’ zeg ik, ‘Van zodra ik besefte wat er gebeurd was, ben ik naar mw.Marie gesneld, maar boer Jannes was me voor. Volgens mw.Marie was hij razend.’
‘Oei,’ zegt Rambo, ‘Maar we hebben toch enkel wat eieren geraapt. Waarom was hij zo boos?’
‘Hij vertelde haar dat je zijn mooiste kip had gedood,’ jok ik vol overtuiging, ‘Ze zei dat ze zo teleurgesteld in je was dat ze je nooit meer wilde zien.’
‘Maar ik heb de kippen helemaal niet aangeraakt,’ zegt Rambo.
Hij kijkt me aan als een geslagen hond. Ik stel me voor hoe hij met eenzelfde, treurige blik de jury van het tribunaal aankeek. De schuld was waarschijnlijk zo van zijn domme hondensmoel af te lezen. Ik troost hem: ‘ik weet het, Rambo, het is niet eerlijk.’
‘Wie had nu durven denken dat Paaseieren rapen zo gevaarlijk was,’ jankt hij stilletjes.

Het plan was perfect. Ik maakte Rambo wijs dat het een goed idee zou zijn mw.Marie voor Pasen te verrassen met een mandje verse eieren. Ik stond zogezegd op de uitkijk terwijl Rambo één voor één eitjes uit het kippenhok stal, maar ondertussen smikkelde ik de vetste kip op uit de ren, heerlijk! Toen Rambo zijn laatste ei in zijn bakkes had, sloeg ik alarm. Boer Jannes was direct ter plaatse. Hij betrapte Rambo op heterdaad. Van de vette kip was niet meer dan een paar botjes over, maar ik was al lang ribbedebie.

‘Gelukkig ben jij net op tijd kunnen ontsnappen,’ zegt Rambo, ‘anders zat jij hier nu ook je laatste uren af te tellen.’
‘Het spijt me dat ik je net niet op tijd kon waarschuwen,’ lieg ik, ‘ik was de eieren in veiligheid aan het brengen.’
Ik had gehoopt voor die eieren nog een flinke duit te vangen bij twee ratten die ik kende van de zwarte markt, maar de deal liep op het laatste moment mis. Het waren undercoverratten en ze waren uit op mijn vel. Ik kon ternauwernood ontsnappen. Nu ja, mijn buikje was tenminste rond gegeten; dat was ook wat waard.
‘Het is jammer dat het zo voor je moet aflopen,’ zeg ik. Ik kan met moeite verbergen hoeveel genoegen het ongeluk van die goedige loebas me bezorgt. Ik begin er bijna van te spinnen.
‘Tegen wie zeg je het,’ antwoordt Rambo, ‘ik voel me zo verdrietig.’

Opeens klinkt er kabaal in de gang. Ik hoor de strenge stem van de cipier, maar hij wordt overstemd door het klokkengeluid van een vrouw. ‘Waar is hij?’ hoor ik, ‘Zowaar ik mw.Marie heet, ik wil en ik zal Rambo zien. Hij is onschuldig.’
Rambo’s staart kwispelt harder dan ik hem ooit heb zien kwispelen.
‘Mw.Marie is me toch komen bezoeken!’ blaft hij luid.
‘Rambo, ouwe jongen, hier ben ik,’ roept mw.Marie hem toe.
Met een kracht die je niet van zo’n klein en fijn vrouwtje verwacht, zet ze de cipier aan de kant.
‘Daar is de ware schuldige,’ zegt ze en ze wijst met een dreigende vinger in mijn richting, ‘Tybaert heeft je erin geluisd, Rambo. Twee undercoverratten hebben me alles verteld. Ze waren Tybaert al maandenlang op het spoor, maar hij wist steeds aan hen te ontsnappen.’
‘Ratten,’ vloek ik, ‘ze zijn niet te vertrouwen!’
Ik kijk in het rond op zoek naar een vluchtweg, maar ik ben me er pijnlijk van bewust dat ik mij in een gevangenis bevind. Waarom ben ik toch zo verslaafd aan leedvermaak? Ik wil het hazenpad kiezen, maar mw.Marie verspert me de weg. Ze is vastberaden me niet te laten ontkomen. Ik kan nergens heen.

In een cel aan het eind van de gang zit een vos te monkellachen.
‘Ik ben Reinaert,’ lacht hij me toe, ‘Straks worden wij vast de beste celmaatjes.’

14 MEI

Opdracht: Bijzonder sprookje

Voor deze opdracht hoef je geen 'verhaaltje' te verzinnen, maar alleen een klassiek sprookje te kiezen. Zo'n sprookje dat echt iedereen kent, zoals Sneeuwwitje, Roodkapje, De wolf en de zeven geitjes, Repelsteeltje, enz. Vertel je gekozen sprookje, maar doe er iets bijzonders mee: schrijf het in straattaal of juist op een heel ouderwetse hoogstaande toon. Kies voor een bijzonder perspectief, een bijzondere setting of maak het opvallend humoristisch of juist extreem griezelig. Als je het verhaal zelf niet meer hoeft te verzinnen, kun je je extra goed focussen op de andere aspecten van de tekst. Vertel wel het hele sprookje. Dat zou binnen 500 woorden zeker moeten lukken.

Inzending: Klein Pinkje

In het midden van een jungle van beton, in een aftands flatgebouw met een kapotte lift, leefden eens een vader en een moeder die samen zeven zonen hadden. Allebei combineerden ze een fulltime job met een bijverdienste in het weekend. Dan nog bleef het een dagelijkse strijd om al die mondjes te voeden. De jongste zoon was hun grootste zorg. Hij was klein geboren en sindsdien niet meer gegroeid. Hij was niet groter dan een pink en werd daarom Klein Pinkje genoemd.

‘Zo kan het toch niet verder,’ zei de vader op een avond, ‘Er zit niets anders op dan ons van de kinderen te ontdoen.’
De moeder weende bittere tranen, maar zag dat er geen andere mogelijkheid was. Zo kon het inderdaad niet verder.
‘We nemen hen mee naar het grote winkelcentrum,' stelde de vader voor, 'en we laten hen achter in de speelgoedafdeling. Ze vinden nooit de weg naar huis terug.’
Dat was echter buiten Klein Pinkje gerekend. Hij was wel klein, maar niet dom. Hij had het hele gesprek gehoord. Hij ging naar de trieste, stenen daktuin van het flatgebouw en vulde er een zak witte, ronde keien. Die nam hij de volgende ochtend mee toen zijn ouders hem en zijn zes broers op een uitstapje naar het winkelcentrum trakteerden. Onderweg liet hij met een zekere regelmaat een steentje vallen.
Terwijl zijn broers zich vergaapten aan het vele speelgoed dat hun ouders nooit konden betalen, zag Klein Pinkje hoe vader en moeder ervanonder muisden. Hij sloeg niet meteen alarm. Hij wilde het kortstondige genot dat zijn broers beleefden aan deze onverwachte uitstap niet vergallen. Pas toen ze met z’n allen honger begonnen te krijgen, zei hij: ‘Zouden we niet stilaan naar huis gaan? Mama en papa zijn alvast voorop gegaan. Volg mij, ik weet de weg.’
De moeder was dolgelukkig haar zonen terug te zien. Ze had zo’n spijt dat ze hen in de steek had gelaten. De vader gromde chagrijnig. Hij snapte niet hoe zijn kroost erin geslaagd was in zo’n drukke stad hun kleine appartementje terug te vinden. Hij wist niet af van de witte keitjes.

Maanden gingen voorbij zonder dat er veel beterschap kwam voor het gezin. Integendeel, op Klein Pinkje na bleven de jongens groeien; elke dag hadden ze meer honger. Opnieuw voerde de vader een moeilijk gesprek met de moeder.
‘We moeten echt van de kinderen af,’ zei hij, ‘Hoe pijnlijk dat ook is.’
De moeder huilde nogmaals bittere tranen, maar wist dat haar man gelijk had.
‘Dit keer brengen we hen naar de kermis,’ zei de vader, ‘Kom we maken hen wakker en we geven hen een grote zak snoep zodat ze er niet te veel bij nadenken.’
Ook dit gesprek had Klein Pinkje gehoord, maar hij had geen tijd om witte steentjes te verzamelen. Hij moest vlug een ander plan bedenken. Toen hij zag hoe zijn broers zich op de zak snoep wierpen, kreeg hij een lumineus idee: in plaats van keitjes te laten vallen, zou hij een spoor van snoepwikkels achterlaten. Zo vond hij vast de weg terug.
Op de kermis aangekomen, speelde zich hetzelfde scenario af als voorheen. Op een onbewaakt moment knepen vader en moeder ertussenuit. Klein Pinkje liet hen begaan. Pas toen zijn broers opnieuw honger kregen, zei hij opnieuw: ‘Zouden we niet stilaan naar huis gaan? Mama en papa zijn alvast voorop gegaan. Volg mij, ik weet de weg.’
Helaas, toen hij op de grond speurde naar snoepwikkels, wist hij niet waar hij het had. Het kermisplein, de straat, de stoep: overal lagen lege verpakkingen en wikkels. Niemand gebruikte de talrijke vuilniscontainers die de stad in de buurt geplaatst had om de straten proper te houden. Iedereen smeet zijn afval gewoon op de grond. Het was onmogelijk tussen al die troep de eigen snoepwikkels te herkennen.

Overmand door gemis, verdriet en berouw keerden Klein Pinkjes vader en moeder de volgende dag naar de kermis terug. Zeven mijlen in het rond hebben ze naar hun kinderen gezocht, zonder resultaat. Klein Pinkje werd opgegeten door een vogeltje dat dacht dat hij een magere worm was. Zijn broers dwalen waarschijnlijk nog altijd rond.

14 MEI

Opdracht: Home is where the heart is

Je herkent een personage aan zijn of haar huis. Andersom geldt dat natuurlijk ook. Kies uit de onderstaande lijst twee personages en omschrijf een ruimte in zijn/haar woning. Let op: je mag niet erbij vermelden welk personage je gekozen hebt. Het is aan de lezer om daarnaar te raden (max 500 woorden).

  • Topvoetballer
  • Aan lager wal geraakte zanger
  • Iemand die paranoïde is
  • Een stille bewonderaar van Hitler
  • Een kindster
  • Een schrijver
  • Een dierenactiviste 
  • Een uit de kast gekomen pastoor
  • Een student
  • Een kassamedewerkster
  • Iemand met een fetisj

Inzending: Met nat

Nora was net de trofeeënkast in de master bedroom aan het afstoffen toen André Hazes Jr. “Leef” begon te zingen. Ze haalde haar mobieltje boven. Het was de eigenaar van het luxeappartement waar ze net aan een poetsbeurt was begonnen.

‘Hallo met Nora, waar kan ik u mee helpen? Ik ben net bij u aan het werk.’
‘Nora, het spijt me dat ik zo laat bel,’ zei de stem aan de andere kant van de lijn.
‘O, maar het is helemaal nog niet laat; het is nog maar halfdrie in de namiddag,’ zei Nora terwijl ze een blik wierp op de replica van de stadiumklok die de wand van de slaapkamer sierde. Aan de stand te zien, was hier vorige nacht flink gescoord.
‘Nee Nora,’ zei haar klant geïrriteerd, ‘dat bedoel ik toch helemaal niet.’
‘Wat bedoelt u dan wel?’ vroeg Nora. Ze opende de deur van de inloopkast en moest een kreetje van misprijzen onderdrukken. Waren dat Chihuahuakeutels op de grond? Het was altijd hetzelfde met die WAG’s. Hun trofeehondje was hun beste vriend, maar om in hun levensonderhoud te voorzien was het soms nodig om toegiften te doen aan een trofeeman. Zo belandde hun befhondje al eens een nachtje in de kleerkast.
‘Ik bedoel dat je ontslagen bent,’ zei haar werkgever, ‘Had ik vroeger gebeld, dan had ik je de moeite kunnen besparen naar mijn appartement te rijden.’
‘O,’ zei Nora. Die boodschap had ze niet zien aankomen.
‘Ik heb een nieuwe vriendin,’ zei de man, ‘Ze heeft een hondje dat allergisch is aan stof. Het was gisteren bij ons op het appartement en het heeft de hele tijd gehoest. Ze wilde dat ik een poetsvrouw nam die iets grondiger tewerk gaat.’
‘Nou,’ zei Nora. Innerlijk kookte ze van woede. Gehoest ammehoela! Ze slikte een paar verwijten in en herpakte zich: ‘Ik begrijp het. Ik laat de sleutel straks achter in de brievenbus, maar nu ik hier toch ben, ga ik eerst nog even met nat poetsen, dan heeft uw nieuwe vriendin vanavond geen reden tot klagen.’
‘Dat hoeft helemaal niet, hoor,’ zei haar nu ex-werkgever, ‘ik betaal je sowieso nog een aantal weken door.’
‘Het is maar een kleine moeite,’ antwoordde Nora, ‘ik heb momenteel niet direct iets anders te doen.’

Ze drukte af en ging naar de bergruimte. Daar nam ze een dweil, een trekker en een emmer. In de enorme leefruimte met panoramisch zicht over de stad trok ze haar schort en rokje op, deed haar slipje naar beneden en ging op de emmer zitten. Het werd een hele plas; ze hoefde niet veel water meer toe te voegen voor de laatste grondige poetsbeurt in de woonplaats van de idioot die haar daarnet ontsloeg.

***

Had haar vorige werkgever haar aanbevolen? Het leek Nora heel onwaarschijnlijk, maar een paar dagen later kreeg ze een telefoontje met een vreemd verzoek. Of ze een nieuwe opdracht wilde aanvaarden? Er waren wel een aantal specifieke wensen waar ze aan moest voldoen. Ze zegde toe.

Hoewel haar klant thuis was op haar poetsmiddagen, had hij haar toch een sleutel overhandigd. Ze liet zichzelf binnen en kwam meteen in de kale woonkamer met de rode muren terecht. Daar hing haar klant aan een Andreaskruis aan de wand op haar te wachten. Hij had een eng masker aan, maar Nora hoefde niet bang te zijn: de man zat keurig vastgeketend. Voor de rest stond er enkel trekker en een dweil in de hoek, en een emmer op de zwarte vloer in het midden de kamer.

Nora trok haar rokje omhoog en hurkte neer.