Het is kalm op het schrijfwedstrijdenfront. Sweek houdt een pauze van drie maanden met hun #Micro wedstrijden. Na het winnen van de Gorcumse Literatuurprijs doe ik niet meer obsessief mee aan elke wedstrijd die uitgeschreven wordt. Ik ben nu meer bezig met mijn autobiografie "Gebeten". Het zou natuurlijk kunnen dat er onverwachts nog een nominatie uit de kast valt, zoals eerder deze week.

Ik probeer wel nog mee te doen aan de Wekelijkse Schrijfopdracht. Dat levert iedere drie weken een blogpostje op met drie verhaaltjes.

  • Het eerste verhaaltje heb ik ondertussen wat herschreven naar de derde persoon. In één van de commentaren schreef iemand dat het verhaal niet zo goed werkte in de eerste persoon. Het ding is: voor die schrijfwedstrijd begin ik meestal gewoon te schrijven zonder vooraf te weten waar ik zal uitkomen. Toen ik de eerste zinnen van "Darren" schreef, wist ik nog niet wat er met de hoofdpersonages zou gebeuren. Pas achteraf zag ik in dat het verhaal inderdaad beter in de derde persoon verteld werd. Dat heb ik nu dus rechtgezet.
  • Het tweede verhaal is dan weer samengesteld uit stukjes tekst die sneuvelden uit een verhaal dat ik schreef tijdens het lezen van "The Book of Disquiet" van Fernando Pessoa. Toen er een opdracht kwam "schrijf iets in de stijl van..." was dat de ideale gelegenheid om die fragmentjes te redden van de vergetelheid.
  • Het derde verhaal voldoet misschien niet helemaal aan de opdracht, maar het was een idee waar ik mee speelde na het lezen van Sweek's Summer Challenge, meer bepaald de #MicroGolf opdracht. Ik had het verhaal al in mijn hoofd toen de wekelijkse schrijfopdracht kwam; ik hoefde het alleen nog maar uit te schrijven. Soms heb ik dat. Ik heb een idee, en dan kan ik eventjes aan niets anders denken tot dat idee uit mijn systeem is. Dat was met dit verhaal het geval.

Veel leesplezier!

22 MEI

Opdracht: Het kistje

Iedereen kan het zich voorstellen; je bent aan het verbouwen en je besluit dat die lelijke schouw er toch maar uit moet. De sloophamer gaat er tegenaan. Vanonder het puin komt een klein kistje met geschriften of brieven tevoorschijn.

Voor de schrijfopdracht van deze week duiken we in het verhaal van het kistje. Je mag nu een van de volgende twee routes volgen:

  1. Je beschrijft de vondst van het kistje, een duidelijke setting, een tweede personage, hoe ziet het kistje eruit en wat tref je aan? Wat zijn de emoties. Let op het gebruik van bijvoeglijk naamwoorden. Maak ze treffend, of laat ze weg
  2. Bedenk een persoon, de brievenschrijver. En bedenk een persoon aan wie hij een of meerdere brieven in het kistje geschreven heeft. Schrijf vervolgens een brief waaruit blijkt in welke tijd de schrijver leeft of geleefd heeft, wat zijn relatie is tot de geadresseerde en welk conflict zij delen. (Een conflict kan een onmogelijke liefde zijn, maar ook een verstoorde ouder/kind relatie.)

Voel je tijdens het schrijven in geen enkel opzicht beperkt door tijd en plaats. Dus laat je fantasie de vrije loop. Schrijf je verhaal of brief in maximaal 500 woorden

Inzending: Darren

Jonathan tilt zijn sloophamer op en laat hem met volle kracht op de muur neerkomen. Hij zet een stap achteruit om het zweet van zijn voorhoofd te vegen. Eén tel lang ziet hij het huis dat hier vroeger stond. Het beeld dat diep uit zijn geheugen kwam, voelde heel vertrouwd aan, maar het is direct weer verdwenen. Wat het ook was dat hij zag, het is ondertussen herschapen tot een hoop baksteengruis.
Tascha knort. Ze heeft iets zien blinken tussen de stenen. Zonder woorden laat Jonathan zijn hamer vallen. Samen graaien ze in het puin om het voorwerp vrij te maken. Tascha is Jonathan voor, maar met een snauw eist hij de buit op. Jankend vlucht Tascha een paar meter van hem weg.
Het object blijkt een kistje te zijn. Tascha weet dat Jonathan sterker is dan zij; toch waagt ze het wat dichterbij te komen. Hij gromt vervaarlijk, maar net als hij kan ze haar nieuwsgierigheid niet bedwingen. Ze kijkt nauwlettend toe wanneer hij het kistje met een tik van mijn voorhamer openklieft.
Ze zijn teleurgesteld als blijkt dat er niets van nut uit tevoorschijn komt; geen blinkende voorwerpen die ze met hun meesters kunnen ruilen voor voedsel, enkel wat papier volgekrabbeld met wat voor hen onbegrijpelijke tekens zijn geworden. Waar die letters over gaan, weten ze niet. Het lezen hebben ze verleerd. Dat is iets uit de tijd dat de mensen nog praatten.
Jonathan heeft honger, maar gaat weer aan de slag. De meesters zullen hen niet laten rusten tot het hele land met de grond gelijk is gemaakt. Tascha raapt één van de blaadjes op die uit het kapotte kistje zijn gewaaid. Ze kijkt gebiologeerd naar de letters op het papier. Ze kan de woorden niet ontcijferen, maar even voelt het alsof ze in een spiegel een flits uit het verleden ziet.

Liefste Tascha,
Amsterdam is gevallen en de vijand rukt verder op naar het Zuiden. Ik heb voor het eerst met mijn eigen ogen een indringer van dichtbij gezien. Gelukkig zat het gewapend glas van de voorruit van onze vluchtwagen tussen het ding en mij, anders had ik je deze brief niet kunnen schrijven. Ik heb direct het gaspedaal zo diep mogelijk ingedrukt. Ik ben over mijn belager gereden, maar ik denk niet dat het ding er iets van gevoeld heeft.
Geloof niets van wat er in het nieuws gezegd wordt. De werkelijkheid is veel erger. De wezens die opdoken vanonder de smeltende ijskappen van de Noordpool, lijken nog het meest op reuzenkakkerlakken. Hun pantser is ondoordringbaar en we krijgen ze met geen enkel wapen uitgeroeid. Technologie hebben ze niet nodig. Hun enige wapen is een priem waarmee ze op de schedel mikken. Word je geraakt, dan is het game over, want het gif dat ze via die priem inspuiten, neemt je hele brein over. Je wordt een willoze dar in hun leger. Wij vechten nu niet alleen tegen die vreselijke insecten, maar ook tegen onze eigen makkers die “bekeerd” zijn.
Ik geef deze brief mee met de luchtpost. Zelf rij ik zo snel mogelijk naar je toe. Pak alvast je koffers. Zodra ik er ben, vluchten we samen verder Zuidwaarts.
Hou je sterk, ik hou van je,
Jonathan

29 MEI

Opdracht: De Stijl

Iedere schrijver heeft zijn eigen stijl. Waar de ene auteur de voorkeur geeft aan een poëtische stijl, houdt de ander het liever zakelijk. Van korte, statische zinnen tot zinnen met prachtige beeldspraak, het is er allemaal.

Kies een boek waarvan je de stijl heel erg waardeert. Vraag je af wat de stijl zo aantrekkelijk maakt. Kies één of twee zinnen van dit boek en probeer de scène af te schrijven, terwijl je de stijl van de auteur nadoet. Doe dit in 300 woorden.

Inzending: Pessoa

Ik wou dat ik op het land was, zodat ik kon willen dat ik in de stad was. Ik ben graag in de stad, maar op die manier zou ik er dubbel zoveel genot van hebben. (Uit “Het Boek der Rusteloosheid” van Fernando Pessoa.)

Soms beeld ik me in dat ik mijn leven droom, en dat mijn dromen dromen zijn in die droom. Dat verzacht de pijn van mijn zijn met de zoetheid van de dood zonder de onomkeerbare gevolgen van het sterven. Die illusie duurt nooit lang. Mijn leven leiden wordt mijn leven lijden zodra ik er de werkelijkheid in toelaat. De realiteit is mijn beste vijand; zonder haar had ik geen reden van bestaan. De mensen die mij omringen, vormen de bevestiging dat ik er ben, maar ik herken hen niet: ze lijken in niets op mij.

Mensen transformeren de waarheid zonder dat ze het merken. Ze doen dat met het hetzelfde gemak en dezelfde achteloosheid als die waarmee ze van onderhemd veranderen; alles wat waar is, is weerloos. Ik vraag me af hoe ze dat doen. Ik zou dat ook willen kunnen. Net als alle andere mensen wil ik me kunnen herinneren wat nooit was en nooit zal zijn.

Ik heb mezelf gemarteld met de vraag of de literatuur een antwoord kon bieden op mijn ongeaardheid. Telkens ik een boek las, wilde ik beginnen schrijven. Telkens ik begon te schrijven, wou ik dat ik een boek aan het lezen was. Moest ik kiezen tussen lezen en schrijven als was het een dilemma tussen leven en dood, ik zou toch voor schrijven kiezen. Lezen doe ik om te weten; schrijven om te begrijpen. Begrijpen vind ik belangrijker dan weten.

Ik ben veel met schrijven herbegonnen. Had elke eerste zin die ik schreef geleid tot een roman, ik had ondertussen een bibliotheek vol boeken die door niemand werden gelezen. Ik heb het schrijven uiteindelijk opgegeven. Mensen hoeven niet van mij te weten; ik wou alleen dat ze me wat beter begrepen.

5 JUNI

Opdracht: Horror

Veel horrorverhalen ontlenen hun kracht aan het 'eng' maken van alledaagse en met name onschuldige dingen. Een pop met moordneigingen, een clown die iets anders doet dan ballons uitdelen etc. Voor deze opdracht ga je een ruimte uit je eigen woning beschrijven, maar met een horrortintje.

Schrijf de openingsscene van een spannend verhaal waarbij een personage een ruimte inloopt (je woonkamer, badkamer, slaapkamer etc). Laat de lezer voelen dat het niet pluis is in die kamer. Gebruik normale omschrijvingen. Er hoeft geen dialoog te zijn. Hoogstens innerlijk. Max 300 woorden

Inzending: Dat zijn zorgen voor gisteren

Ik kwam mezelf tegen in de keuken.
‘Wat doe jij hier?’ vroeg ik verbaasd. Was ik weer vergeten mijn pillen te nemen?
‘Ik kom uit de toekomst. Ik heb onze microgolf tot teletijdmachine omgebouwd!’ was het antwoord.
‘Cool!’ zei ik tot mezelf, ‘Kan je er ook mee terug naar je eigen tijd?’
‘Ik vrees van niet,’ antwoordde ik, ‘Het aangepaste toestel is niet meegereisd.’
Ik zag mezelf beteuterd naar mijn oven kijken.
‘Dit is nog het origineel. Meer dan eten opwarmen doet deze niet.’
‘Weet je nog hoe je er een teletijdmachine van maakt?’ vroeg ik. Ik lag in mijn eentje al genoeg met mezelf overhoop; wat zou dat worden met twee van mij in huis?
‘Met wat hulp kan ik de klus wel klaren,’ overtuigde ik mezelf.
Samen sleutelden we een volledige dag en een volledige nacht aan de machine.
‘Ik ben bang dat het ding maar in één richting werkt,’ zei mijn toekomstige ik, terwijl ik het bedieningspaneel vastschroefde.
‘Nou,’ antwoordde ik, ‘dan stel ik voor dat jij naar het verleden gaat, dan kan ik rustig verder met mijn leven.’
‘Maar het is ook mijn leven,’ protesteerde mijn toekomstige ik.
‘Helaas, pindakaas,’ zei ik. Ik had al op de knop gedrukt; mijn toekomstige ik werd nogmaals naar het verleden gestuurd.
‘Hoe zou het me de volgende keer vergaan?’ vroeg ik me af.
Ik weerstond de verleiding mezelf in het verleden te gaan waarschuwen.
‘Dat zijn zorgen voor gisteren,’ zei ik, en ik bracht de microgolf naar de kringloopwinkel.
‘Hij werkt nog, hoor!’ hoorde ik mezelf daar aan de afgiftebalie zeggen.
Ik maakte rechtsomkeer en botste daarbij nogmaals op mezelf.
Shit, we waren al minstens met drie.