Onze zoon van bijna 20 woonde tot voor kort op zijn eentje in een huis in Brugge, maar wil nu terug naar het Gentse verhuizen. Hij vond een huis te huur in Lochristi, en het plan was het huis in Brugge te verhuren en met de huur van ene huis de huur van het andere te betalen. Een eerste gesprek met het immobiliënkantoor verliep probleemloos. Er werd een termijn en een huurprijs afgesproken, en het zag ernaar uit dat het huurcontract tekenen een formaliteit zou worden.

Dat verliep enigszins anders dan verwacht. De verhuurders wilden ons ontmoeten, dus reden we naar het immobiliënkantoor waar we een koppel ontmoetten dat ietwat ouder was dan wijzelf, maar nog helemaal niet bejaard. Niet gehinderd door enige voorkennis, zou ik de man omschrijven als iemand die in zijn leven genoeg geld heeft verdiend om zijn eigen huis af te betalen, en die dan door een erfenis aan een tweede huis is geraakt. Hij kwam me voor als iemand die voor de rest niet goed weet wat te doen met zijn geld, vooral nu het knippen van kasboncouponnetjes in onbruik geraakt is. Ik doe hier maar een wilde gok die niet gespeend is van enig misprijzen, en ik kan er helemaal naast zitten, maar mijn eerste indruk werd bevestigd door zijn eerste vraag:

“Lo-wa-gie, dat is wel een beetje een vreemde naam…”

“De naam Lowagie met die schrijfwijze komt inderdaad niet zo vaak voor. Ik ben enig kind. Mijn vader was enig kind. Ergens in het begin van de 18de eeuw is er bij het inschrijven van een nieuwe telg van de familie een foutje gebeurd waarbij de familienaam veranderde van Louage in Lowagie. Ik krijg ook constant de vraag of ik familie ben van Michel Louwagie, de manager van AA Gent. We zijn niet direct familie, maar we hebben waarschijnlijk ergens wel een gemeenschappelijke voorvader.”

“Maar jullie zoon, Ja-go, dat is toch ook geen normale naam?”

“Jago? Dat is gewoon Jacob. Hebben jullie dan nog nooit gehoord van Santiago di Compostella? ‘Sancti-Jago’; dat is Sint-Jacob van Compostella.”

“Ik vraag mij toch af of een jongen van 19 die alleen woont de huur zal kunnen betalen.”

“Meneer, Jago woont nu alleen in een huis in Brugge, en dat gaat heel goed. Wij gaan nu dat huis in Brugge verhuren. Met die huur kunnen we de huur van het huis in Lochristi betalen.”

“Ja, maar ik zou toch graag een loonbriefje zien.”

“Wel, als je onze naam opzoekt via Google, dan kan je zien dat we internationale ondernemers zijn. We hebben bedrijven opgericht in België, maar ook in de US, in Azië. Een aantal bedrijven zijn ondertussen verkocht, maar we hebben nog altijd een C-level job. We hebben aan uw immobiliënkantoor voldoende bewijs getoond dat we de middelen hebben om de huur te betalen.” (Bevestigende knik vanwege de mevrouw van het immobiliënkantoor, al weet ik niet of de man begreep wat een C-level job is.)

Ik kom veel mensen tegen. Ik reis veel. Ik heb een groot deel van de wereld gezien. Toch besef ik dat de wereld waarin ik leef –mijn wereld– niet de echte wereld is. Ik ontmoet zelden bekrompen en kleingeestige mensen die denken dat ze het beter weten omdat ze een klein beetje bemiddelder zijn dan hun doorsnee medemens. De ontmoeting met een specimen van dat allooi die avond in dat immobiliënkantoor, was nefast voor mijn humeur omdat ik vrees dat er wel meer van dat soort mensen woont in Vlaanderen. Ik vrees dat er in de echte wereld veel meer zijn van zijn soort dan ik me vanuit mijn bevoorrechte positie kan voorstellen. Ik was pas echt pissed toen bleek dat de man onze zoon niet wilde als huurder. Na die ontmoeting wilden we eigenlijk al niet meer van hem huren, maar desondanks was ik pissed.

Wat dat specifieke huurhuis betreft, maak ik me geen zorgen: er zijn andere en betere. Maar als een verhuurder iemand zoals ons al weigert omdat hij vindt dat onze naam vreemd klinkt en omdat hij denkt dat wij niet kapitaalkrachtig genoeg zijn, hoe gedraagt zo iemand zich dan tegenover een potentiële huurder die geen stamboom heeft die teruggaat tot het Vlaanderen van de 13de eeuw, en die geen C-level job heeft?

Die verhuurder staat voor mij symbool voor alles wat ons in de weg staat om van een “Ondernemend Vlaanderen” een succesverhaal te maken. In mijn gastcollege “International Business Culture” (UCLL) maak ik soms de volgende vergelijking:

  • In België moeten mensen je eerst vertrouwen, dan pas kan je zaken met hen doen.
  • In Californië doe je zaken met elkaar om te zien of je elkaar kan vertrouwen.

Als je in Californië iemands vertrouwen schaadt, dan is het van “Fool me once, shame on you; fool me twice, shame on me!” maar in het algemeen is de drempel om met een perfect stranger aan een samenwerking te beginnen er een pak lager. Hier in België heerst een verlammende soort-zoekt-soort mentaliteit en een verstikkende ons-kent-ons politiek die ervoor zorgt dat competente mensen niet eens de kans krijgen zich te bewijzen als ze niet de juiste naam, niet de juiste huidskleur, of niet de juiste religie hebben. (Er zijn uiteraard uitzonderingen, maar gun me deze rant.) Stel je voor dat je in Silicon Valley niet zou willen werken met mensen die Sramana, Wong, of Hakan heten, dan snij je toch wel ferm in je eigen vel, want dan mis je misschien de knapste koppen.

Of heeft die man achteraf weldegelijk zijn research gedaan, en heeft hij ontdekt wie wij werkelijk waren? Vond hij ons arrogant, hoogmoedig, te mijden, ongewenst,… puur en alleen omdat we boven het maaiveld uitsteken? Mogen we dan niet trots zijn op onze verwezenlijkingen misschien?

Beste verhuurder die onze zoon als huurder weigerde: u haalt uw neus op voor mensen die u te min vindt; u haalt waarschijnlijk ook uw neus op voor mensen die u een minderwaardigheidsgevoel geven. U mag trots zijn op uzelf; het is door kleingeestige, bekrompen mensen zoals u dat we in de kneuterigheid en de klei blijven steken. En nee, dit is geen pleidooi voor positieve discriminatie. Dit is een pleidooi om te kijken naar resultaten en efficiëntie, los van bijkomstigheden zoals iemands naam, kleur, leeftijd, geaardheid, partijkaart, of wat dan ook.

Get a life, Lochristi!